Call Back the Giants - Call Back the
Giants (2010)
Ken je dat: het gevoel dat je in een
boek bent beland? Of in een film? Of
allebei zelfs? Bij het vak Nederlands
mogen jullie op het VWO
tegenwoordig ook vertaalde
literatuur lezen. Nederlandse en
Vlaamse auteurs uit de vorige eeuw
schrijven over dingen die voor
generaties van nu blijkbaar totaal
oninteressant zijn. Het moet zich
liefst allemaal afspelen in heroïsche
steden als New York of Los Angeles,
of in elk geval in Amerika. Of in een
futuristische fantasiewereld. In mijn
schooljaren en in de provinciale
omgeving waarin ik opgroeide, was
Amsterdamse literatuur al heel
werelds. Turks Fruit, Het leven is
verrukkulluk, dat soort romans. Maar
ik raakte ook enorm gefascineerd
door Vlaamse literatuur zoals die van
Hugo Claus en Louis Paul Boon, die
vaak gesitueerd was in treurige
milieus en in stadjes en dorpen met
een existentiële lelijkheid waarvan ik
in ons aangeharkte Nederland dacht
dat die al lang niet meer bestonden.
Tot ik een paar jaar terug met drie
vrienden naar Aalst ging, een stad uit
de boeken van Boon. Mijn god. Wij
waren er op een prachtige,
zonovergoten voorjaarsdag, waardoor
Aalst verscheen op z'n allermooist.
Maar dat hielp weinig. Aalst in de zon
is niet meer dan een spookhuis waar
het licht is aangeknipt. Straten en
pleinen die er op een regenachtige
dag uit moeten zien als open wonden
met etter en pus, hadden nu in elk
geval droge korsten. Al een stuk
prettiger, maar leuk wordt het niet.
Het is simpelweg een stad waar het
altijd regent, ook als de zon schijnt,
zoals Ondineke, hoofdpersoon uit
Boons De Kapellekensbaan haar
woonplaats beschrijft.

Het café waar we binnenstapten om
te lunchen was compleet afgeplakt
met plastic: alle muren, de plafonds
heel merkwaardig. We namen
plaats aan een tafeltje en ik merkte
dat ik meer dan op de ober zat te
wachten op het moment dat Hip to
Be Square van Huey Lewis and the
News uit de speakers zou knallen en
de kok met een groot slagersmes uit
de keuken zou komen om als een
incarnatie van Patrick Bateman uit
American Psycho de gasten
systematisch af te slachten. Toen het
toch de ober was die
allervriendelijkst aan onze tafel
verscheen, gokte ik er maar op dat
het plastic tegen verfspatters was en
niet tegen rond spuitend bloed.
Goh, aan het verbouwen?, vroeg ik
monter. Na een korte pauze waaruit
een peilloze verbazing sprak,
antwoordde de gerant: 'Nee, morgen
begint het carnaval. De verbijstering
in onze ogen was voldoende voor de
man om droogjes toe te lichten: 'Dat
wordt in Aalst tamelijk uitbundig
gevierd.Wat heet! Het moet een
orgie van extreme liederlijkheid zijn
want later op de dag zaten we aan
een smakelijke Italiaanse dis toen een
spontane zonsverduistering scheen
plaats te grijpen. Als een
geroutineerd team van
synchroonzwemsters keken we alle
vier tegelijk op van onze borden en
draaiden onze hoofden abrupt naar
rechts. Daar was het raam, waarlangs
we passanten hadden moeten zien
kuieren in de namiddagzon. Ware het
niet dat er op dat moment grote
platen underlayment tegenaan
geschroefd werden. Weer buiten
gekomen bleek dat in de hele straat
álle ruiten gebarricadeerd waren,
het leek letterlijk een oorlogsgebied.
De dag van het 'feest hebben we
goddank niet meegemaakt, maar
enkele weken later las ik ergens dat
het carnaval alhier op de Lijst van
meesterwerken van het orale en
immateriële erfgoed van de mensheid
van de UNESCO staat. Ik moet toch
nog eens nakijken of de F-side van
mijn geliefde Ajax er dan misschien
ook op terug te vinden is.
De geschetste setting aan de vooravond van het carnaval in het troosteloze Aalst had de een of andere Belg blijkbaar ideaal geschenen voor een festival met experimentele muziek. Als locatie had hij gekozen voor een kaal industrieel pand pal achter het stroompje de Dender op een steenworp van zowel het station als de wanstaltige fabriek die in het hart van de stad staat. De Dender is feitelijk het open riool van de fabriek, tenminste, zo ziet het eruit als je over de ijzeren ophaalbrug naar de overkant loopt. De geklinknagelde brug zelf is enige charme niet te ontzeggen trouwens.

E
én van de bands die was uitgenodigd om op te treden tijdens het festival was Call Back the Giants, een muziekduo bestaande uit Tim Goss en zijn tienerdochter Chloe Mutter, helemaal vanuit Amerika de oceaan overgestoken om in de diep deprimerende hel die Aalst heet te belanden. Zelf was ik op mijn beurt blindelings hierheen gereden puur om deze band te zien spelen. De overige acts op het eendaagse evenement kende ik geen van alle en het werd me die dag ook wel duidelijk dat ik me gerust de moeite kon besparen om me alsnog in hun catalogus te verdiepen.
Na alles wat ik inmiddels had gezien van het bizarre Vlaamse openlucht-spookhuis waar we ons bevonden, kon ik
één gedachte maar niet uit mijn hoofd zetten: hoe voelt het voor Tim en natuurlijk vooral voor Chloe om in een oord als dit verzeild te raken? Heb je je verheugd op een kleine toer door Europa met mythisch mooie steden als Parijs, Rome, Amsterdam en Barcelona en dan vind je jezelf terug in Aalst!

Een half uurtje na het optreden van Call Back the Giants zag ik Chloe op me af komen in de drukke meute bij de bar. Het kostte het meiske duidelijk moeite om zich door de menigte weirdos heen te worstelen met haar glas cola. Ik had zo'n medelijden met haar in deze hele situatie dat ik als tegenligger op weg naar pinten zonder aarzelen ruim baan voor haar maakte met een soort van hoffelijk gebaar erbij om haar nog iets van vriendelijkheid te gunnen in dit godvergeten oord. Chloe keek me aan met grote, doffe ogen, die oplichtten door mijn onverwacht galante geste. Een geste die ook een teken van waardering voor haar muziek inhield en dat herkende ze. Maar de herkenning ging dieper dan dat. Het was alsof in de dans van het elkaar passeren onze geesten synchroniseerden en we beiden voelden dat er een intense zielsverwantschap bestond in de wijze waarop wij het hier en nu van Aalst lijdzaam ondergingen. Net toen ik gelukzalig vervuld raakte van ons stilzwijgende bondgenootschap in die paar tellen dat Ondineke, eh Chloe, me bleef aankijken, verpestte ze het moment volledig door met haar lippen heel overdreven de woorden THANK YOU te articuleren zonder ze uit te spreken. Van een lelijk Vlaams stadje trok ze me subiet een kitscherige Amerikaanse B-film in.

Van de regen in de drup? Nee eerder de druppel die de emmer deed overlopen, want de cumulatie van treurnis nam nu zo'n epische omvang aan dat alles sublimeerde tot een surre
ële schoonheid. En dat, kan ik je vertellen, is een geweldige ervaring. Zulke schoonheid is namelijk schaars. Ze ontstaat alleen maar heel sporadisch in buitenissige, niet te ensceneren omstandigheden, waarin ook herinneringen, dromen en wat er verder zoal sluimert in het onderbewuste wordt teruggeroepen in het schemerlicht van het bewustzijn. Een cruciaal element was in dit geval mijn bijna vergeten liefde voor de romans van gigant Louis Paul Boon, en dan met name De Kapellekensbaan. Ik zat in een film, in een boek, in Aalst ik wist het allemaal niet meer, maar het was prachtig. En daarom vind ik Aalst een van de meest fantastische steden waar ik ooit ben geweest, al zou je dat misschien niet denken na al het lelijks dat ik in het begin over dit oord heb gezegd.
< TERUG
HOME >
Laatst zat ik te denken: als je alle lp's, singeltjes, cd's, cassettebandjes en - vooruit - mp3's die je hebt achter elkaar zou leggen in volgorde van aanschaf, dan zie je in feite je muzikale DNA liggen. Want bij iedereen zou dat een andere, unieke sliert opleveren. Omdat ik het zo leuk vind om te zien hoe jij steeds maar op zoek bent naar mooie en bijzondere liedjes, net zo enthousiast als ikzelf, hier wat muziek uit mijn DNA. Als vader en dochter delen we onze echte genen, dus vast ook onze muzikale.